|
Mijn weg (de Zenne)
Eeuwen lag ik open De trots van doorkliefd aardeland Veel viel er niet te kopen In die ongerepte pastorale mand
Ontving ik mijn buren, de stenen En werd oever van de stad Waar ketten met lange tenen Me gebruikten als ochtendbad
Goot waarin de Mens’ schoot Het schuiven van geuren Bloot, badend, wassende kloot Biddend opdat de pest mijn vocht niet zou kleuren
Daarom bedekten ze mijn gleuf En het licht van de hemel Doofde de ziel in mijn sleuf Alleen ik weet: ze schoten een kemel
Gekiste eeuwling ben ik, geborgen onder bruggen Draai ik me in bochten bij nacht In het rijk van uilen, ratten en muggen Weggestroomd mijn heldere pracht
Sta me toe te dromen Vanonder bomen, kelders en kassei Voel ik geweten stromen Ik ben de afdruk van jullie getij
|
|